Waarom biedt Perron 3000 een antwoord op de geschetste context van veranderende verwachtingen?

Een antwoord op de toenemende diversiteit
  • In Vlaanderen is de eerste graad noch aso, noch tso, noch bso, maar observerend en oriënterend. Tot enkele jaren geleden konden wij echter doen alsof onze eerste graad een aso-graad was.
    De laatste jaren wordt de instroom in het eerste jaar meer en meer divers. Deze tendens – reeds duidelijk zichtbaar in het basisonderwijs – zal zich verder doorzetten. We kunnen niet langer doen alsof HDC, SPC en PAR een eerste graad aso hebben. We gaan – of we het nu willen of niet – naar een eerste graad waarin leerlingen met een groot abstractievermogen school lopen samen met leerlingen die geïnteresseerd zijn in meer concrete en praktische uitdagingen.
    Met een eerstegraadschool maken we duidelijk dat we die uitdaging op een positieve manier en zonder krampen aangaan: de eerste graad wordt echt een scharnier tussen lagere school en het studieaanbod in de 2e en 3e graad. Dat doen we beter samen.
  • Om goed onderwijs te geven aan een heel diverse groep van leerlingen, om bij elke leerling maximale leerwinst te boeken, moeten we onze aanpak en interne organisatie grondig hertimmeren. Anders krijgt de broodnodige differentiatie binnen de klas/school, zowel naar boven als naar beneden, geen kans.
  • We kunnen de opvang van de toenemende diversiteit maar grondig uitwerken als dat niet concurrentieel werkt, maar echt één gedeeld belang wordt. Dus als we één school worden.
Een antwoord op de nood aan betere leerlingenoriëntering
  • Momenteel bieden we leerlingen in het tweede jaar maar twee keuzes aan: Klassieke talen en Moderne talen en wetenschappen. Dat doen we nu 3 keer, op 50 meter van elkaar.
    Een grotere eerste graad en samenwerking met andere scholen maakt het mogelijk ook andere basisopties aan te bieden, bv. STEM of Economie en Organisatie.
    Door een groter aanbod aan basisopties kunnen (we) de leerlingen (zichzelf) beter observeren en vervolgens beter oriënteren.
  • Het wordt in de toekomst de gewone gang van zaken dat leerlingen na de eerste graad van locatie veranderen. Zo vergroten we de kans dat leerlingen dadelijk kiezen voor studierichtingen die echt aansluiten bij hun interesses, hun talenten en ambities.
    De redenering die het watervaleffect voedt – “we proberen, en als het niet lukt, zakken we wel af” – wordt minder evident.
    Zo geven we aan elke studierichting de waarde die ze verdient, en vergroten we de kans dat onze oriënteringsadviezen daadwerkelijk worden opgevolgd.
  • Een oriëntering naar tso/bso is vandaag vaak dubbel moeilijk, omdat de leerlingen dan niet alleen van studierichting, maar ook van school (= pedagogisch project) moeten veranderen. Deze leerlingen ervaren een dergelijke oriëntering vaak als een pijnlijk falen.
    Dat gevoel nemen ze mee en het leidt geregeld tot ongekwalificeerde uitstroom.
    Wij willen bijdragen aan het voorkomen van het watervalsysteem.
  • In de praktijk betekent een stap naar bv een tso-richting dus ook een afscheid van locatie en vrienden. We hopen dat andere scholen, die momenteel bso/tso aanbieden, mee in het traject stappen. Leerlingen hoeven dan niet langer van schoolproject te veranderen om zich in te schrijven in een studierichting die bij hun interesses, talenten en ambities aansluit. Het gevoelen van afgeschreven te worden zal verkleinen.
Een antwoord op de nood aan draagkracht bij de leerkrachten
  • Indien er ook scholen met een ander profiel meedoen (bso/tso) verrijken we de competenties in het lerarenkorps met andere invalshoeken en ervaring. Die kennis missen we soms vandaag om met bepaalde leerlingen in de 1e graad goed om te gaan.
  • Vandaag organiseren we op 50 meter van elkaar 3 keer hetzelfde rijke studieaanbod in de derde graad. Voor studierichtingen die minder worden gekozen, resulteert dat in elk van de 3 scholen in samengestelde klasgroepen met vaak organisatorische problemen bij vakexcursies, uurroosters en inhaallessen. Waar de organisatie van samengestelde lesgroepen geen oplossing biedt, geven we les in heel kleine lesgroepen.
    We kunnen en moeten die energie en die uren beter inzetten. Maar dat kan alleen als we onze studierichtingen ook in de derde graad als 1 school met verschillende locaties aanbieden. De concurrentie van 3 scholen met ieder hun eigen belang houdt dat momenteel tegen.
  • De diversiteit binnen de groep leerlingen is groot en wordt groter. Van leerlingen met leervoorsprong tot leerlingen met nood aan individuele begeleiding en extra ondersteuning voor bepaalde vakken. Dit vergroot de complexiteit van de opdracht van de leraar en het omkaderend personeel. Een organisatie in een groter kader laat beter toe daar structureel op in te spelen met flexibelere programma’s, individuele ondersteuning, ruimten voor begeleid zelfstandig werk, extra verbreding, …
  • Door de handen in elkaar te slaan kunnen we de jobinvullig gevarieerder maken. Je kan meer verschillende rollen en vormen aanbieden die niet alleen het beroep interessanter maken, maar ook de school als organisatie verder helpen (bv.: als vakexpert ruimte krijgen om materiaal te ontwikkelen, toegepast onderzoek doen en kwaliteitsmeting uitvoeren, sterk professionaliseren op vlak van oriënteren, evalueren, … Collega’s die focussen op bepaalde zorgvragen ruimte en tijd geven, leerkrachten die meer vrije ruimte hebben om aandacht te hebben voor lastig gedrag op school, CLIL, …
    Dit alles is moeilijker organiseerbaar of combineerbaar wanneer je apart met kleinere teams blijft werken.
  • Je kan je schoolorganisatie aanpassen aan de graad of graden waarin leerlingen zitten. Een leerling in de 1e graad heeft nood aan andere afspraken en regels, hulpmiddelen en begeleiding dan een leerling in de hogere jaren. Op die manier kunnen we ook meer ruimte creëren voor groei naar zelfstandigheid.
  • Samenwerking zoals die georganiseerd werd en wordt in de scholengemeenschap in verband met de modernisering leidt tot ontwikkelingskansen en zorgt voor sterke bottom-up initiatieven. Dat soort samenwerking is hét model waarvoor we willen gaan omdat het draagkrachtverhogend is en dat kan je structureler uitwerken als we één school worden.
Een antwoord op de problemen waar het onderwijs in Leuven al jaren mee kampt
  • Voor vele ouders en kinderen is de periode van aanmelding en inschrijving een nachtmerrie. Door samen met andere scholen, die momenteel bso/tso aanbieden, 1 sterk schoolproject te maken, verminderen we de voorkeursproblematiek en benutten we de leerlingencapaciteit van de betrokken locaties optimaal.
  • Leerlingen die school lopen in de eerstegraadschool Stroom en later ook leerlingen die school lopen in de eerstegraadschool in Veltem-Beisem, moeten in de 2e graad kunnen instromen in andere scholen. We krijgen dat maar georganiseerd als we extra klassen openen. Dat kunnen we alleen als we dat samen doen.
  • Momenteel is er onvoldoende spreiding van zorg en diversiteit over de verschillende scholen van de katholieke scholengemeenschap in het Leuvense. We willen hier samen verantwoordelijkheid voor opnemen.

Ons plan is een vlag die we planten in de toekomst, een visie, een plek waar we naartoe willen gaan.